Teksten waar over heen wordt gelezen.


Hoofdstuk 2

11 De naam van de eerste is Pison. Die stroomt om het hele land Havilaheen, waar goud  is.

12 Het goud  van dat land is goed, en er zijndaar ook onyxstenen en bdelliumhars. (Waarom is goud zo belangrijk voor een opperwezen?)

13 De naam van de tweede hele land Kusch heen.

14 De naam van de derde rivier is Hiddekel. Die loopt ten oosten van Assyrië. En de vierde rivier is de Eufraat.

15 Jehovah God plaatste de mens dus in de tuin van Eden om die te bewerken en ervoor te zorgen.

16 Ook gaf Jehovah God de mens het volgende gebod: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten zo veel je wilt.

17 Maar van de boom van de kennis van goed en kwaad  mag je niet eten, want op de dag dat je daarvan eet, zul je zeker sterven.’ (de schepper zegt dus dat ze van alle bomenmogen eten)

Hoofdstuk 3

1 Van alle wilde dieren op hetland die Jehovah God had gemaakt, was de slange het behoedzaamst. De slang zei tegen de vrouw: ‘Heeft God echt gezegd dat jullie niet van alle bomen in de tuin mogen eten?’

2 De vrouw antwoordde de slang: ‘We mogen de vruchten van de bomen in de tuin eten.

3 Maarover de vruchten van de boom in het midden van de tuin heeft God gezegd: “Jullie mogen er niet van eten en die zelfs niet aanraken, anders zullen jullie sterven.”’

4 Daarop zei de slang tegen de vrouw: ‘Jullie zullen helemaal niet sterven.

5 Want God weet dat op de dag dat jullie ervan eten, jullie ogen geopend zullen worden en jullie als God zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.

22 Toen zei Jehovah God: ‘De mens is nu als een van ons geworden als het gaat om de kennis van goed en kwaad. Om nu te voorkomen dat hij zijn hand uitsteekt en ook een vrucht van de levensboom plukt, ervan eet en eeuwig leeft. . .’ ( Wat we hier lezen is crusiaaal, de mens is hier dus gelijk aan de overige goden waar over wordt gesproken. De mens is dus geen robot meer, maar is gelijk aan de goden na dat hun ogen geopend worden. De 'slang' loog dus niet maar sprak de waarheid! Verder zien we hier ook dat Adam en Eva NIET al onsterfelijk waren. Ook lezen we hier dat er dus een boom was die veel belangrijker was dat de boom van 'goed en kwaad'. En dat de mens toch niet van alle andere bomen mocht eten zoals gesteld werd in vers 2:16).

23 Daarop zette Jehovah God hem uit de tuin van Edenl om de grond te bewerken waaruit hij genomen was.

24 Hij verdreef de mens dus en plaatste aan de oostkant van de tuin van Eden de cherubs.